
0. Oogbol
1. Oogspier
2. Harde oogrok
3. Vaatvlies
4. Netvlies
5. Oogzenuw
6. Blinde vlek
7. Gele vlek
8. Bloedvaten van het oog
9. Glasvocht
10. Straalvormig lichaam
11. Achterste oogkamer
12. Voorste oogkamer
13. Pupil
14. Regenboogvlies
15. Hoornvlies
16. Lens
De oogbol
De oogbol (bulbus oculi) is omringd door bot. Het oog ligt in de
zogenaamde orbita. Dit is een peervormige holte bestaande uit bot. Dit
is prettig want hierdoor wordt het oog voor een groot deel beschermd.
Het oog is 7,5 gram zwaar en 24 mm lang. De oogbol heeft een wand, die
uit drie lagen bestaat. Deze wand uit drie lagen omgeeft drie
oogholten, die oogkamers worden genoemd. Het zijn de voorste oogkamer,
de achterste oogkamer en de glasvochtholte met het geleiachtige
glasvocht.
De oogspieren
Elk oog beschikt over zes oogspieren. Dankzij deze spieren en alle
zenuwen eromheen kunnen we onze ogen richten, een voorwerp volgen en
van het ene punt naar het andere kijken.
De buitenste rechter oogspier (4) trekt de oogbol weg van het
middenvlak, de binnenste rechte oogspier (3) beweegt hem naar het
middenvlak van het lichaam. De bovenste rechte oogspier (6) draait hem
naar boven, de onderste rechte oogspier (2) beweegt hem naar beneden.
De bovenste schuine oogspier (5) trekt het oog naar beneden en naar
buiten, de onderste schuine oogspier (1) beweegt het naar boven en naar
buiten.
De harde oogrok
De harde oogrok (sclera) geeft het oog zijn stevigheid. De harde oogrok
is wit. Een wit bindweefselkapsel die de oogbol beschermd. De harde
oogrok geeft het oog zijn stevigheid. Aan de voorkant gaat de oogrok
over in een doorzichtige deel, het hoornvlies, aan de achterkant in de
harde hersenvlies omhulling van de oogzenuw. Het netvlies ligt aan de
binnenzijde tegen het vaatvlies.
Het vaatvlies
Het vaatvlies (chorioidea) ligt tegen de binnenkant van de harde
oogrok. Het vaatvlies bestaat uit drie lagen: een laag grote vaten
(lamina vasculosa), een laag kleine vaten (choriocapillaris) en de
membraan van Bruch.
Het vaatvlies is, zoals de naam zelf al suggereert, vaatrijk. Het
vaatvlies voedt het oog. Het vaatvlies is een dicht netwerk van
bloedvaten, dat voor de voeding van de staafjes en kegeltjes zorgt. Het
vaatvlies gaat aan de voorkant van het oog over in de iris.
Het netvlies
Het netvlies (retina) is de binnenste van de drie lagen. Het netvlies
is een dunne, doorzichtig membraan. Nadat het licht door het hoornvlies
naar binnen is gevallen gaat het door de pupil, de lens en de
glasvochtruimte. Uiteindelijk komt het licht terecht op het netvlies.
In het netvlies zitten staafjes (voor het zien bij schemering) en
kegeltjes (voor het zien van kleuren). Dit zijn cellen die de
lichtprikkel omzetten in een elektrische prikkel. Deze prikkels worden
via de oogzenuw naar de hersenen geleid en daar omgezet in een beeld.
Wanneer u het oog zou vergelijken met een fototoestel, dan vormen het
hoornvlies en de lens het lenzenstelsel van de camera. De iris is te
vergelijken met de sluiteropening (het diafragma) en het netvlies zou
de film zijn.
De oogzenuw
De oogspieren worden aangestuurd door drie paar hersenzenuwen. De derde
zenuw (Nervus III) stuurt vier van de zes uitwendige oogspieren aan.
Deze oogzenuw zorgt op die manier voor de beweging van het oog naar
boven, de beweging naar de neus toe en deels ook voor de beweging van
het oog naar beneden. De vierde zenuw (Nervus IV) stuurt één spier die
actief is bij de blik naar beneden aan, bij het lezen bijvoorbeeld. De
zesde zenuw (Nervus VI) stuurt de spier die zorgt voor de beweging van
het oog naar buiten aan.
Wanneer een oogzenuw verlamd is, bijvoorbeeld door een hersentrauma,
zal de betrokken oogspier niet of onvoldoende gestimuleerd worden
waardoor er scheelzien en ook dubbelzien kan optreden. De balans tussen
de ogen kan ook verstoord raken wanneer een oog gehinderd wordt in zijn
beweging bijvoorbeeld door een afwijkende structuur of ligging van een
oogspier of door beschadiging van de oogkas. Scheelzien bij kinderen
wordt doorgaans niet veroorzaakt door een verlamming of beperking van
een oogspier. De oogbewegingen zijn meestal volledig normaal.
Scheelzien bij jonge kinderen is vaak te wijten aan een overstimulatie
van bepaalde oogspieren.
De blinde vlek
Op een foto van het netvlies is de blinde vlek te zien als een
lichtgekleurde vlek. In dit gebied zitten geen receptoren voor licht.
Dat betekent dus dat we in dit gebied niets kunnen zien. Dit wordt ook
wel de papil genoemd. Deze zit aan de achterkant van het oog. Het is de
uitgang voor alle bloedvaten richting de hersenen. Ook verlaten hier de
talrijke zenuwen die het licht omzetten in elektrische signalen het oog
om dit in de hersenen wederom om te laten zetten in een beeld met kleur
en diepte. De uitgang zit altijd iets aan de neuskant.
De gele vlek
De gele vlek (macula lutea) is een gebiedje op het netvlies waar de
kegeltjes heel dicht op elkaar geplaatst liggen. Met dit deel van het
netvlies zien we de heel fijne details. Hoe goed en hoe scherp iemand
hiermee ziet, wordt uitgedrukt in gezichtsscherpte.
De bloedvaten van het oog
Het vaatvlies bestaat uit bloedvaten die het oog van de nodige zuurstof en voedingsstoffen voorzien.
Het glasvocht
Het glasvocht (corpus vitreum) bestaat uit een microscopisch
aantoonbaar fijnmazig netwerk met glasvochtvloeistof. Een doorzichtige
gel met een gelatine-achtige consistentie die achter de ooglens is
gelegen en het grootste deel van het oog vult. Deze ooggel is bij
kinderen en jonge volwassen vrij homogeen gestructureerd.
Het straalvormig lichaam
De lens is opgehangen in het straalvormig lichaam (corpus ciliare). Dit
zit aan de rand van het vaatvlies. Dit straalvormige lichaam bestaat
uit een soort van kringspier (ciliaire spier) en lensbandjes (processus
ciliares).
De kringspier zit door middel van de lensbandjes vast aan de lens en is
belangrijk bij accomodatie. De lens wordt boller wanneer de kringspier
van het straalvormig lichaam zich samentrekt. Om goed dichtbij te
kunnen zien, moet de lens zich bollen. De kringspier van het
straalvormige lichaam moet dan dus samentrekken. Om in de verte goed te
kunnen zien, heb je een wat plattere lens nodig. De kringspier moet
zich dan ontspannen. De lensbandjes vormen het kamerwater. Door deze
aanmaak en door afvoer van het kamerwater wordt de oogdruk geregeld.
Bovendien draagt het kamerwater bij aan de voeding van de lens en
hoornvlies.
De achterste en voorste oogkamer
De oogbol is voor het grootste deel gevuld met een geleiachtige massa:
het glasachtig lichaam. Aan de voorzijde hiervan liggen de lens, de
achterste en de voorste oogkamer. Deze kamers zijn gevuld met een
hoeveelheid vloeistof (kamerwater), die van binnenuit tegen de oogbol
drukt. Een klein kliertje in de achterste oogkamer produceert continu
dit kamerwater.
Vanuit de achterste oogkamer stroomt het kamerwater langs de lens, via
de pupil naar de voorste oogkamer. Daar wordt het in de kamerhoek door
een klein kanaal afgevoerd. Op deze wijze ververst het kamerwater
zichzelf elk anderhalf uur.
De pupil
De opening in het midden is de pupil en daarmee regelt het oog de
lichtopname. De pupil wordt nauwer bij veel licht en wijder bij weinig
licht. Beide pupillen veranderen gelijktijdig, in een reflex. Niet
alleen licht heeft invloed op de pupillen. Verkleining vindt ook plaats
wanneer men naar dichtbij gelegen voorwerpen kijkt, terwijl de pupillen
groter worden bij het zien van iets ontroerends of opwindends.
Het regenboogvlies
Het regenboogvlies (iris) is het diafragma van het oog en ligt om de
pupilopening heen. De pupil, het zwarte rondje midden in de gekleurde
iris, is de opening van het diafragma. Het diafragma staat onder
invloed van het licht: bij veel licht wordt de pupil kleiner en bij
weinig licht groter. Bovendien veranderen de pupillen bij emoties
(groter) of bij kijken op korte afstand (kleiner).
Het regenboogvlies is gekleurd en die kleuring is afhankelijk van de
pigmentatie. Een oog met weinig pigmentatie is blauw. Een oog met veel
pigmentatie is echter bruin.
Het hoornvlies
Het hoornvlies (cornea) is het etalageruitje van het oog. Dit is het
buitenste, glasachtige deel van het oog, waarop men contactlenzen
aanbrengt en wat geïrriteerd raakt als het met stof in aanraking komt.
Het hoornvlies is ongeveer 550 micron dik (0,55 millimeter) en heeft
een diameter van gemiddeld 12 mm. Het hoornvlies is het deel waar het
licht het meest wordt gebroken. Daarom is het hoornvlies zeer
belangrijk voor het scherpstelvermogen van het oog. De kromming van het
hoornvlies bepaalt in sterke mate de breking van het binnenkomende
licht. Een traanfilm zorgt voor het glad maken van het oppervlak.
Bovendien draagt het bij tot de voeding van het hoornvlies.
Het hoornvlies is opgebouwd uit meerdere lagen. Het dankt zijn
doorzichtigheid aan een evenwicht tussen het aan de buitenkant liggende
epitheel, het aan de binnenkant liggende endotheel en het tussenin
liggende stroma. Het epitheel heeft de belangrijke eigenschap dat het
zich kan vernieuwen. Bij een beschadiging vermeerderen de
epitheelcellen zich om zo het beschadigde gedeelte binnen enkele dagen
te bedekken. Binnen een week kan het gehele epitheel zich volledig
vernieuwen. Een ander kenmerk van deze laag is de aanwezigheid van
losse zenuwuiteinden, waardoor u irritatie kunt voelen als er stof in
uw oog komt.
De lens
Hoornvlies en lens spelen bij het scherp zien een belangrijke rol.
Zowel het hoornvlies als de lens zorgen ervoor dat de lichtstraal wordt
gebroken. De grootste breking treedt op in het hoornvlies. De ooglens
moet het beeld verder scherp stellen. Wanneer iemand een voorwerp in de
verte bekijkt, dan wordt de lens door spiertjes afgeplat. De
lichtstralen worden dan minder sterk gebroken en kunnen van grote
afstand op het netvlies vallen. Ziet men een voorwerp dichtbij dan
wordt de lens boller, waardoor het licht sterker gebroken wordt en het
voorwerp scherp op het netvlies komt. Deze aanpassingen zijn te
vergelijken met het instellen van een cameralens; bij het oog gebeurt
dit echter onbewust. Dit wordt accommodatie genoemd. Bij het ouder
worden, wordt de lens minder vervormbaar, waardoor het
accommodatievermogen afneemt en tenslotte een leesbril nodig is.
Terug naar de homesite
|